donderdag 16 januari 2014

IQ is geen schoenmaat



Bij indicaties voor speciaal onderwijs wordt vaak een te absolute betekenis toegekend aan de IQ-score. Er wordt te weinig rekening gehouden met factoren die de uitkomst beïnvloeden en wat de test nu eigenlijk meet.

Wanneer je kind achterloopt in zijn ontwikkeling is er een kans dat regulier onderwijs niet de beste plek is en je kind beter tot zijn recht komt op speciaal onderwijs. Er zijn verschillende vormen van speciaal onderwijs en om te bepalen naar welke vorm van onderwijs je kind toe kan, heeft de overheid specifieke criteria vastgesteld waaraan je kind moet voldoen om toegelaten te worden.  Een van die criteria is de IQ score.  Zo kun je met een IQ score lager dan 70 niet naar het speciaal basisonderwijs, maar kom je terecht op een ZMLK school.  
Deze stricte hantering van een IQ score is eigenlijk heel gek. Er wordt van uitgegaan dat je een IQ kunt “hebben”, zoals je een schoenmaat hebt, en dat IQ een vaststaand gegeven is. Dit klopt niet. Je kunt niet zeggen: “mijn  kind heeft een IQ van 77”. De uitkomst van een intelligentietest, de IQ-score, geeft slechts een indicatie van het intelligentieniveau, maar ís dus niet gelijk aan de intelligentie van je kind. Deze IQ- scores zijn ook nog eens niet nauwkeurig en kunnen worden beïnvloedt door  verschillende factoren. Een absoluut getal gebruiken als hard criterium voor toelating tot een specifieke vorm van onderwijs is dus onterecht.

Factoren die IQ scores kunnen beïnvloeden
Betrouwbaarheid
Bij elke intelligentietest wordt een betrouwbaarheidsinterval aangegeven. Dit zegt iets over de meetfouten die kunnen optreden bij de test. De meeste intelligentietesten  voor kinderen hebben een betrouwbaarheidsinterval van 95%. Dit betekent dat als je kind bijvoorbeeld een IQ-score heeft van 89, er met 95% zekerheid gezegd kan worden dat de IQ score tussen de 80 en 101 ligt. Dat is  wel even iets anders dan: mijn kind heeft een IQ van 89!
Generaliseerbaarheid
Een IQ test bestaat uit een selectie van relevante vragen die samen een beeld moeten geven van intelligentie, anders zou de test simpelweg veel te lang worden.  De generaliseerbaarheid van een test zegt iets over het verband tussen de scores op deze beperkte selectie en  de scores op een veel groter aantal vragen. De WISC, een veelgebruikte intelligentietest voor kinderen,  heeft bijvoorbeeld een generaliseerbaarheid van .81. Dit betekent concreet dat als een kind getest is met de WISC, er een kans van 5% is dat het op een andere test een IQ score zou hebben die 19 punten of meer kan verschillen!
Gebruikte normgroep
Een IQ-score is relatief, en geeft aan hoe hoog of laag jouw kind scoort ten opzichte van de normgroep. Een andere normgroep geeft dus ook andere IQ-scores. Bij de WISC maken leerlingen uit het speciaal onderwijs onderdeel uit van de normgroep. Bij de RAKIT, een andere veelgebruikte intelligentietest, niet. Dit heeft tot gevolg dat de laagste scores bij de RAKIT ongeveer 7 IQ punten te laag uitvallen. Het kan dus nogal uitmaken welke test er gebruikt wordt  bij het inschatten van het niveau van je kind.
Datzelfde geldt ook voor leeftijd. Bij de meeste intelligentietests worden normen per leeftijdsgroep berekend. Als de leeftijd van je kind in het midden van deze leeftijdsinterval valt, klopt de vergelijking van je kind met de normgroep het best. Als de leeftijd van het kind net aan het begin van het interval zit, wordt het niveau van je kind onderschat en aan het eind van de interval wordt het niveau van je kind overschat. Als je kind qua leeftijd net op de grens van het leeftijdsinterval van de gebruikte normgroep zit, kan dit, zeker bij jongere kinderen,  wel een verschil betekenen van 6 tot 10 punten in de IQ-score.  
De (Nederlands)  taal niet goed beheersen
Bij verschillende IQ-tests wordt er een beroep gedaan op het begrip en de kennis van de Nederlandse taal bij het goed kunnen maken van de test. Kinderen die Nederlands niet als moedertaal hebben of kinderen met een taalachterstand, worden hierdoor benadeeld bij de afname van deze tests, en er ontstaat een vertekend beeld van de intelligentie.
Andere factoren
Naast de hierboven genoemde factoren zijn er nog een groot aantal andere factoren die de testscore kunnen beinvloeden. Bijvoorbeeld of je kind zich niet lekker voelt tijdens de testafname, het moment van afname (het tijdstip, de dag van de week) en storende factoren in de omgeving, zoals lawaai, te fel of te donker licht, een ongeschikte stoel, etc.

Conclusie
Zeker bij kinderen die zich anders dan gemiddeld ontwikkelen, wordt vaak gebruik gemaakt van een intelligentietest om te bepalen  wat het niveau is van het kind, en naar welk soort onderwijs het toe kan. De IQ-scores worden hierbij vaak te absoluut gebruikt, en ten onrechte gezien als een equivalent  van intelligentie . Er wordt te weinig rekening gehouden met de beperkingen van een test. Het kan als ouder dan ook geen kwaad om zelf goed geïnformeerd te zijn  over de voor- en nadelen van deze testen.


(Bron:  Test& Testresearch)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen