dinsdag 8 april 2014

Motoriek: besef van links en rechts

Voor een gezonde motorische ontwikkeling is lichaamsbesef heel belangrijk. Waar zit je arm, waar zit je been? Hoe groot ben ik ten opzichte van de ruimte om me heen? Als je geen goed innerlijk beeld hebt van je lichaam, ben je wat onhandig in het bewegen en heb je meer moeite met je lichaamscoördinatie. Een achterstand in de motorische ontwikkeling heeft niet alleen invloed op hoe je beweegt, maar ook op hoe je leert. Kinderen met een slechte motoriek hebben bijvoorbeeld vaak problemen met leren schrijven, lezen en rekenen. Motorische vaardigheden kun je zien als noodzakelijke bouwstenen voor het ontwikkelen van cognitieve vaardigheden. Als je werkt aan de ontwikkelingsachterstand van je kind, is het belangrijk om veel aandacht te besteden aan motoriek. Dit kun je doen met behulp van een fysiotherapeut of ergotherapeut. Ook thuis kun je samen heel goed aan de slag.
pelletjes
De oefeningen hieronder helpen de lateralisatie beter te ontwikkelen. Lateralisatie is de innerlijke gewaarwording dat je een rechter- en een linkerkant hebt. Vaak hebben kinderen met een motorische achterstand hier moeite mee.

Oefeningen
1. Gebruik een luchtbed voor het bewust worden van evenwicht.
2. Hang een kussen aan het plafond; eerst met 1 hand raken, dan met 2, dan om en om.
3. Binnen de sporten van een ladder op de vloer lopen, dan om en om.
4. Rol een bal naar elkaar toe, terwijl je beurtelings eerst je linker- en dan je rechterbeen optilt zodat de bal er onderdoor kan rollen.
5. Doe een standbeeld na.
6. Loop over een evenwichtsbalk, of over een touw op de vloer.
7. Loop als een hond, olifant, kikker, gans, leeuw, etc.
8. Je linker- of rechterhand opheffen, of je linker of rechtervoet. Steeds sneller de instructies geven.
9. Teken een cirkel op de vloer, waar je kind zijn linker-of rechtervoet in moet zetten.
10.Laat een paar handschoenen zien en vraag aan welke hand je de handschoen moet doen. Hetzelfde kun je doen met schoenen. 
11. Laat je kind een voorwerp over de vloer duwen met zijn knie of elleboog.
12. Teken gekleurde vormen op een stuk papier, en zeg: "zet je rechterhand op de rode cirkel"of "zet je linkerhand op het groene vierkant".
13. Teken rechter- en linker handen en voeten op de zijden van een dobbelsteen, en vraag welke hand of voet bovenkomt.
14. Houd een voorwerp voor je kind en vraag 'm het te pakken met een bepaalde hand, en zorg er voor dat de middellijn doorkruist wordt (de denkbeeldige lijn die door het midden van je lichaam loopt).
15. Laat je kind een bal door de kamer rollen door het afwisselen eerst met de ene dan met de andere voet te duwen.
16. Zet een mand voor je kind, en laat het voorwerpen in de mand gooien, met afwisselend de ene dan de andere hand.
17. Rol een bal naar je kind, die het met z'n linker-of rechtervoet terug moet schoppen. Op de rug liggend tegen een bal schoppen, terwijl je de boven het hoofd van je kind houdt.
18. Geef opdrachten met verschillende lichaamsdelen. Bv. doe het raam open met je linkerhand, raak de muur aan met je rechterschouder, maak een cirkel met je linker elleboog, etc. 

Bron: Hekkesluiters 2, programma voor ontwikkelingsbevordering, Kephart, Chaney en Ebersole, Lemniscaat, Rotterdam.